RABELADOS

Van Kaapverdië

In het dorp Rabelade met de deelnemende kunstenaars aan het project STROKAR 2017

links naar rechts Stevo, Kanhubaï, Fico, Sabino, Misa Kouassi, Fred Atax, Josefa et Tchetcho.

Op een eiland waar het verbodene flirt met de vrijheid

Het is niet duidelijk wanneer Kaapverdië precies is ontdekt, maar de eerste kolonisten zijn er gearriveerd op het einde van de 15e eeuw. Deze archipel met 10 onbewoonde eilanden langs de Senegalese kust, was gedurende lange tijd de plaats waar de Europese kolonisten slaven heen stuurden die ze uit Afrika haalden om ze tot het katholicisme te bekeren en veel duurder te verkopen.

Ondanks dat het deel uitmaakt van het Afrikaanse continent, wilden ze toen dat Kaapverdië zo on-Afrikaans mogelijk bleef, vooral op het eiland Santiago. De plaatselijke gebruiken, zoals dans, muziek en zang werden dan ook strikt verboden.

Enerzijds waren er het Afrikaanse volk dat in ellende leefde, anderzijds werden veroordeelde Europese edelen er heen gestuurd om hun straffen zo aangenaam en licht mogelijk uit te zitten. Er werden zelfs Europese prostituees heen gestuurd om te vermijden dat er halfbloeden van kolonisten en slaven zouden worden geboren. Dit was echter onvermijdelijk en zo is het creoolse volk op Kaapverdië ontstaan.

In 1870, vanaf het ogenblik dat de Franciscanen vanuit Italië naar Santiago en de andere eilanden van de archipel werden gestuurd om de slaven te bekeren, zijn de Kaapverdische paters ontstaan met hun zwarte kleren, om er het Katholicisme in te voeren.

Toen een Portugese delegatie in 1940 ter plaatse kwam om te kijken of de bekering geslaagd was, ontdekten ze dat de katholieke priesters vrouw en kinderen hadden. Dit konden ze uiteraard niet tolereren en deze priesters werden ten onrechte als rebellen bestempeld. De Portugese overheid besloot om hun ontwikkeling en voortbestaan een halt toe te roepen door nieuwe missionarissen te sturen van de segregatie van de Heilige Geest, gekleed in het wit. Ze lieten kerken bouwen waar de mensen moesten betalen en beeldhouwwerken om te vereren.

De laatste Kaapverdische priester, die in 1960 overleden is, was sterk gekant tegen deze commercialisering van de cultus en de verandering van de religieuze gewoonten. Hij heeft op zijn sterfbed verkondigd dat ze niet mochten toegeven aan de druk en dat ze de aanbevelingen van de nieuwe priesters die gekomen waren om hun denkwijze te veranderen, niet mochten opvolgen. Een gedeelte van de bevolking heeft deze raad opgevolgd en zijn door de kerk vervolgd en naar andere eilanden verbannen, gediscrimineerd en als duivels bestempeld; er werd zelfs geëist om hen te aan te geven.

Veertig jaar lang leefden volwassenen en kinderen als vluchtelingen in de bergen, verborgen en ver weg van elke beschaving, om niet te worden aangegeven. Tot op vandaag worden ze ‘Rabelados’ genoemd.

.

In 1997 ontdekt Misa Kouassi, Kaapverdische schilder en dichter, dit volk en beslist om hen te helpen met hun ontwikkeling, door de kinderen te leren schilderen. Later richten ze hun atelier ‘Rabelarte’, op, geleid door slechts 7 schilders in een kleine gemeente van een paar honderd bewoners.

Tchetcho Rabelade eén van de kunstenaars met Fred Atax-foto waarop hij  koos om weer aan het werk

Het is tijdens een reis op het eiland Santiago dat Fred over dit volk en deze kunstenaars verneemt en beslist om ze te ontmoeten. Met felle kleuren beelden ze hun dagelijkse leven uit dat onveranderd is en trouw gebleven is aan de waarden die ze altijd zijn blijven verdedigen, die van de ‘Rabelados’ uit Kaapverdië. Hij was hier onmiddellijk door gefascineerd en besloot om ze uit te nodigen voor de tweede editie van het STROKAR-project.

In 1941 werden ze rebellen genoemd, de ‘Rabelados’ van het eiland Santiago, een uniek symbool van het verzet tegen de Portugese kolonisten in de geschiedenis van Kaapverdië.

Tchetcho Rabelade, In zijn studio, aan het werk op een van de foto’s.

Josefa Rabelade, Eén van de 7 kunstenaars kiest zijn haar borstels

Eerste ondersteuning en verdeling van materialen door Strokar voor de samenwerking met kunstenaars van ontwikkelingslanden. Een druppel water in de oceaan vergeleken met wat we zouden willen doen, maar dit is slechts het begin. Die dag hebben we Tchetcho, Fico, Kanhubaï, Josefa, Sabino en Stevo ‘Rabelados’ gelukkig gemaakt